Dit korte verhaal is geschreven voor de themawedstrijd “Zandmannetjes”, georganiseerd door Godijn Publishing. Het behaalde de 28e plek van meer dan 95 deelnemers.
Hartelijk dank aan Natascha van Limpt van Frost & Flame Publishing voor de woordredactie.
Veel plezier met het 2.800 woorden lange avontuur van Fresco!
Tijd voor wraak
De zandkorrels gleden een voor een door de opening in het midden van de zandloper. Met maaiende armen probeerde ik het proces te vertragen. Ik wist dat het een zinloos gevecht was, maar mijn instinct om te overleven nam het over. De plastic wand was glad, veel te glad. Mijn klauwende vingers vonden geen houvast. Met een smak kwam ik op de bodem terecht. De pijn dreunde door iedere vezel van mijn lichaam. Ik hapte naar adem en kneep mijn ogen dicht. Een paar tellen maar, ik wist dat ik haast moest maken.
Snel klauterde ik overeind en klopte de zandkorrels van me af, al wist ik dat ik snel weer onder zou zitten.
Klimmend, springend en vechtend probeerde ik mijzelf niet te laten bedelven. Door het zweet plakte mijn shirt vast aan mijn rug. Mijn keel was droog. Zo droog. De regen van zand ging door. Ik mocht dit niet opgeven, niet verliezen. Mijn leven en vrijheid hingen ervan af. Ooit zou ik bevrijd worden. Er moesten collega’s naar mij op zoek zijn en doorhebben wat er gebeurd was. Dat een barmhartige actie van mijn kant mij in het tijdglas had doen belanden en het zandmannetje had bevrijd.
Welke chaos zou hij veroorzaken nu hij vrij was?
Een huivering trok door me heen bij de herinnering aan de laatste puinhoop die hij veroorzaakt had. Door het strooien van zand was er een vrachtwagen geslipt, met een kettingbotsing en meerdere doden tot gevolg. Voor de goden was dat de druppel geweest. Ze hadden hem opgesloten in de gevangenis waar ik nu in zat.
Het zand regende genadeloos op mij neer. Nog eenmaal hapte ik naar adem en kneep mijn ogen dicht. Ik liet het over mij heen komen. Het drukkende gewicht landde op mij.
Het gevecht was verloren.
Nooit meer zou ik de frisse lucht ruiken of door een hoosbui rennen, op zoek naar een plek om te schuilen. Dat alles omdat ik ervoor koos om het zandmannetje te bevrijden. Ja, hij had mensenlevens genomen, maar niemand verdiende levenslang. Was vergeving niet belangrijk?
Mijn longen protesteerden door het gebrek aan lucht. Ondanks de uitputting ging er een knop om, waardoor ik de worsteling om te blijven leven hervatte.
Een slag met mijn arm, een schop met mijn been. Ging ik de goede kant op? Zou het zo voelen om levend begraven te worden?
Een nieuwe slag en nog één. Kramp schoot in al mijn ledematen. Tranen prikten in mijn ogen, waardoor wist ik niet. Door de uitputting, de wanhoop of omdat er zand in gekomen was?
Nog een flinke trap. Met mijn hand graaide ik omhoog en brak uit het zand. Zou alles gevallen zijn? Paniek borrelde in mij op. Dan zou de loper opnieuw omgedraaid worden! Ik moest zuurstof hebben en bijkomen. Nog een ronde zou ik niet overleven.
Met hernieuwde energie baande ik me een weg naar boven. Lucht vulde mijn longen. Krampachtig haalde ik adem, voordat ik mijn lijf verder omhoog sleurde en op het zand liet vallen. Mijn ogen hield ik gesloten. Ik wilde niet meer geconfronteerd worden met de nachtmerrie waar ik in zatmeer zien, al had ontkennen geen zin. Het enige waar ik naar kon verlangen was naar de duisternis wanneer het bordspel 30 Seconds was afgelopen en mijn gevangenis terug in de doos ging.
De tevreden grijns van het zandmannetje flitste door mijn hoofd. ‘Sukkel die je bent. Nu zul jij erachter komen tot wat voor lijdensweg de goden mij verdoemd hebben door mij in deze zandloper op te sluiten.’ Zijn krakende, droge stem bezorgde mij nog steeds kippenvel.
Waarom had ik hem bevrijd? Omdat ik in het goede van wezens geloofde. Hij had lang genoeg boete gedaan. Het leed wat hem aan werd gedaan, was onbeschrijfelijk. Zij waren degenen die straf verdienden.
Ik klopte mijn handen af en wreef in mijn ogen. Na een paar keer knipperen werd het zicht scherp en tuurde ik omhoog. Al het zand was gevallen. Waarom werd de zandloper niet opnieuw omgedraaid?
Argwanend krabbelde ik overeind. De mensen waren er niet meer. Zouden ze stoppen met spelen? Mijn hart maakte een sprongetje van opluchting. Dat zou betekenen dat ik terug de kast in mag!Opluchting overspoelde mij. Ik had weer een spelletje overleefd. Het kon weken of maanden duren voordat ik weer uit de kast werd gehaald.
Een tik op het plastic liet mij omdraaien. Twee ondeugende bruine ogen onder een bos warrig donker haar keken mij aan. Was dat echt…? Mary! Ze had haar aureool niet op haar hoofd, dus dat betekende dat ze hier niet in opdracht van de goden was.
Ik snelde naar haar toe en plaatste mijn handen tegenover de hare, mij bewust van de wand die ons scheidde. ‘Wat doe jij hier? Hoe kom jij ook zo klein?’ Het kwam er door de opkomende paniek scherper uit dan ik bedoelde. Dit kan niet goed zijn.
‘Ik heb mij aangepast aan jouw formaat zodat we kunnen praten. Luister, het zandmannetje is gevonden. Hij is zichzelf niet meer, al zijn krachten zijn verdwenen.’
‘Oh! Dus dat zou betekenen dat jullie mij vrij kunnen laten?’ Mijn maag maakte rare kronkels. Het was gek dat zijn krachten weg waren, maar wat had dat met mij te maken?
Verscheurd keek Mary mij aan. ‘Er is een probleem…’
Mijn adem stokte in mijn keel. ‘Wat voor probleem? Voordat het tijdglas de gevangenis van het zandmannetje werd, zat er niemand in, dus dat kan het niet zijn.’
Mary slikte. ‘De goden hebben besloten dat dit jouw straf is. Ook al blijkt het zandmannetje geen krachten meer te hebben, dan nog had je hem niet mogen bevrijden zonder toestemming.’
De woorden waren als een klap in mijn gezicht. Ik zakte in elkaar en was mij maar vaag bewust hoe de korrels zich in mijn knieën boorden. Mij redden was nooit het plan geweest, dus mijn gevecht was voor niets geweest. Het beetje kracht dat mij in leven hield, vloeide uit mij weg. Engelen hadden geen eten of drinken nodig zoals mensen. Hoop doet leven. Hoop was juist wat ons engelen levenskracht gaf en die was mij nu afgepakt.
‘Geef het niet op, Fresco. Ik ga praten met onze godheid en kom terug.’
Mijn zweterige hand gleed van de wand. Ik schudde mijn hoofd, het was zinloos. Mijn arm viel slap langs mijn lichaam.
‘Fres, geef…’ Mary keek achterom. ‘O nee, hij roept mij. Ik moet gaan.’
‘Ga niet weg!’
Ze verdween met een poef. Alleen een wolkje stof dat langzaam neerdwarrelde, wees erop dat ze er geweest was.
Een brok vormde zich in mijn keel. Ik hoorde de mensen aanschuiven aan de tafel. De betekenis daarvan drong niet tot mij door. Mijn wereld stond al op zijn kop voordat hij letterlijk op zijn kop gezet werd. Ik viel en deed geen poging om dat tegen te houden.
Het bodempje zand schuurde mijn knieën open en rukte mij terug naar het heden.Dit kon niet zo eindigen! Mijn leven was meer waard dan één inschattingsfout.
Het zand bleef genadeloos vallen, alleen was het deze keer anders. De adrenaline pompte door mijn lijf. De eerste laag was gemakkelijk het hoofd te bieden. Naarmate er meer korrels vielen en de laag dikker werd, vloeide de kracht uit mij. Nee, nee. Dit kon niet! Ik moest hoop houden en vechten.
Een scherpe steek trok door mijn ledematen. De slagen werden krachtiger en ik kwam weer boven. Geen enkele keer werd het gevecht tegen het stromende zand te veel. Alsof een nieuwe krachtbron was aangeboord.
Ik klom, klauterde en overwon. Ik was oppermachtig, alsof ik zelf een god geworden was. Ik was onoverwinnelijk en klaar om mijn vrijheid te pakken. Een oerkracht in mij zwol aan en kwam tot een climax. Een alles verzwelgend licht omringde mij. De warmte en energie die door en om mij heen stroomde was als een omhelzing van de goden. Ik had niemand nodig. En mijn wraak… die zou zoet zijn. Net zo warm en krachtig als de energie die in mij stroomde.
Het zand wervelde rond. Tilde mij op en verzwolg mij. Het licht verdween.
Duizelig en gedesoriënteerd knipperde ik en keek om mij heen. Ik lag op een houten tafel. Wacht, niet zomaar een tafel… Met mijn hand tastte ik over het blad en stootte tegen het speelbord aan. Dit was dé tafel.
Ik richtte mijzelf op en keek naar de zandloper naast mij. Mijn gevangenis voor ik weet niet hoelang. Een mensenhand bewoog ernaartoe en draaide hem opnieuw om, alsof er niets gebeurd was. Gelukkig was ik ondanks mijn bevrijding nog steeds onzichtbaar voor mensen en waren die wezens blind voor magie.
Vrij. Ik keek naar mijn handen. Een lichte gloed hing er nog omheen, samen met de zandkorrels die aan mijn huid plakten. Wat was er gebeurd? Had ik een soort oerkracht ontgrendeld? Verdwaasd schudde ik mijn hoofd. Dat bestond niet. Mijn blik gleed naar het tijdglas. Of wel…?
Mijn benen niet vertrouwend, kroop ik naar de zandloper toe en raakte het plastic voorzichtig aan. Solide. Ik was echt vrij!
Ik moest die nieuwe kracht ontdekken. Eén ding was zeker: ik zou wraak nemen. Op de goden, maar ook op de engelen die er niet voor mij geweest waren. De enige die gespaard zou blijven was Mary.
Tevreden grijnzend wreef ik in mijn handen. De rest zou te maken krijgen met de wraak van het nieuwe zandmannetje. Van mij. Mijn voorganger zou niets zijn bij waar ik toe in staat was. Ik zou de goden laten beven!
Ik bekeek mijn gevangenis. Een idee kwam in mij op. Eerst moest ik mijn krachten verder verkennen en daarna… was het tijd voor wraak!
De dagen gingen voorbij. Mijzelf bevrijden en terugtoveren naar mijn eigen formaat had het uiterste gevergd en daarna moest ik mijn nieuwe krachten onder controle krijgen. Nu was ik er klaar voor.
Het huis der goden kwam in zicht, even statig en tijdloos als altijd. Het gele gesteente had de kleur van zand. Ik huiverde bij die herinnering.
In de lucht rondom het gebouw waren engelen aan het spelen met ballen water die ze vanuit de wolken vormden. Af en toe viel er een bal. Ah, het regent in de mensenwereld.
In een omtrekkende beweging sloop ik het huis binnen. De hal was verlaten, dus ik ging verder. Het witgrijze marmer voelde koel aan onder mijn blote voeten. Zo stil mogelijk ging ik richting het kantoor van de god van tijd. Hipotes was de man waar ik destijds verantwoording aan moest afleggen. Hij had die onmenselijke straf voor het zandmannetje bepaald.
Rommelende geluiden kwamen vanuit de ruimte achter de deur. Hij was dus aanwezig, precies waar ik op hoopte. Ik legde mijn hand op de zak in mijn toga. De zandloper vormde een geruststellende bobbel. Alles was er klaar voor.
Ik gooide de deur open en plaatste mijn handen in mijn zij. ‘Dacht je dat je van mij af was?’
‘Fresco, kom verder.’ De man keek niet eens op van zijn papier, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat ik in zijn kantoor stond. Zijn bril was afgezakt en stond halverwege zijn neus en zijn grijze haar was zoals altijd naar achteren gekamd. Het was net alsof de tijd stil had gestaan, maar ik wist beter.
‘Ik ben hier niet voor een gezellig praatje.’ Het licht rondom mijn handen liet zich makkelijk oproepen. Ik pakte de zandloper beet, maar hield hem verstopt in mijn zak.
‘Zo’n vermoeden had ik al. Als je hier bent voor je vleugels dan kom je van een koude kermis thuis, die heb ik niet. Als je nieuwe wil, dan zul je eerst je straf uit moeten zitten. Daarna zullen we het in overweging nemen.’
Ik snoof. Door mijn nieuwe krachten had ik die vleugels niet meer nodig. Eigenlijk waren ze heel beperkend geweest. Altijd maar die flapperende dingen op je rug? Nee bedankt.
Hipotes liet de papieren waar hij doorheen had gebladerd los en bestudeerde mij. ‘Je bent veranderd.’
‘Daar heb je gelijk in.’ Ik omklemde het tijdglas steviger en haalde adem. Dit is het moment! Resoluut stapte ik op mijn tegenstander af en verzamelde meer magische kracht. Ik haalde de zandloper uit mijn zak en sprong op de godheid af.
Een lichtflits verblindde mij en de klap die volgde bracht mij uit mijn baan. Ik sloeg op de grond en kermde van de pijn.
‘Dacht je echt dat ik niet oplette?’
Ik klemde mijn kaken op elkaar en kwam overeind. Natuurlijk had ik dat niet gedacht, maar het viel te proberen. Ik cirkelde om hem heen, terwijl hij met mij mee draaide. Zijn scherpe blik was op mij gericht.
Ik wendde mijn krachten aan en stuwde een golf zand op hem af. Hij sloeg het af met een windvlaag, waardoor niet hij, maar zijn bureau bedolven werd.
‘Dus daar is de magie van het zandmannetje gebleven. Ik vroeg mij al af wat daarmee was gebeurd. Het was makkelijk om hem gevangen te nemen. Zelfs op het strand lukte het hem niet om een zandstorm te creëren.’
Mijn wenkbrauwen schoten omhoog van verbazing. Is dat hoe ik aan mijn krachten ben gekomen? Waarom hadden die zich dan niet eerder geopenbaard? Het antwoord vormde zich in mijn hoofd. Door de hoop die ik koesterde bleef ik een engel. Door het gevoel dat ik alles verloren had, werd ik het zandmannetje. Nu zou ik vechten voor mijn vrijheid.
Zandstorm na zandstorm sloeg door het kantoor als een storm in de Sahara, maar Hipotes ontweek alles alsof het hem geen moeite kostte.
Hoe kon dit? Ik had mijzelf voorbereid. Ik knarste met mijn tanden en riep meer energie op. Een wervelwind van zand ontstond en ging op de godheid af. Papier, boeken en andere losse voorwerpen vlogen van hun plek af en verdwenen in het geweld. De kracht van de magie en de energie die het mij kostte, liet mij trillen op mijn benen. Hipotes trok met zijn lip. Hij plaatste zijn benen uit elkaar en stak zijn handen uit. De spieren in zijn lichaam spanden zich aan.
De zandloper die ik al die tijd stevig in mijn hand geklemd had, werd eruit getrokken en zweefde naar de godheid.
‘Nee!’ Ik sprong erachteraan en maaide in de lucht, maar greep mis en belandde met een plof in het zand.
Hoongelach vulde de ruimte. ‘Het is duidelijk dat je nog niets geleerd hebt van je opsluiting. Wat meer tijd zal je goeddoen.’
De god sloeg met een klap zijn handen in elkaar. De plotselinge luchtdruk liet mijn oren suizen. Boeken, papieren en andere voorwerpen kwamen hard bonkend op de grond.
Ik knipperde om het zand uit mijn ogen te krijgen. Een zuigende kracht trok me mee naar het midden van de kamer. De opkomende hoofdpijn negerend, verzette ik me en keek achterom. De zandloper stond vergroot in de zandpartij, zijn aanwezigheid herinnerde me aan mijn tijd daarin. Dat gaat niet nog eens gebeuren! Vastberaden kroop ik weg, maar doordat de ondergrond ook verschoof raakte ik uit balans en kwam weer neer. Mijn zicht vertroebelde.
De druk nam verder toe. Het was alsof de lucht zich als een vacuüm om mij heen sloot en mij meesleurde naar mijn gevangenis. Mijn hoofd bonkte, mijn oren suisden en de ruimte draaide.
De wereld werd zwart.
Zandkorrels schuurden mijn wang. Geïrriteerd wreef ik eroverheen en bleef liggen, uitgeput door de inspanning. Hoe kwam ik eigenlijk in het zand?
Beelden flitsten voorbij van het gevecht met Hipotes. De druk, de zuiging, de zandloper. Shit, shit, shit. Met mijn hart in mijn keel sprong ik op. Het zand verschoof onder mijn voeten. Boven me viel een lichtstraal door een smalle opening. Een beweging trok mijn aandacht. Recht voor mij stond de godheid. Groter dan hij eerst was en vervormd door de barrière. Hij grijnsde breed en pakte de zandloper beet.
‘Nee, nee, nee!’ Ik rende naar de wand en sloeg er met mijn weer klein geworden vuisten tegenaan.
‘Dacht je nu echt dat het zo makkelijk zou zijn?’ Het hoongelach van de godheid schalde door mijn hoofd en liet mij ineenkrimpen.
Hoe kon ik zo stom zijn? Hoe had ik kunnen denken dat ik sterk genoeg was om hem uit te dagen? Nog erger… Dat ik hem gevangen kon nemen.
‘Neem alle tijd die je nodig hebt om je zonden te overdenken.’ Met een sadistische grijns draaide Hipotes het tijdglas om.
Paniek greep me bij de keel, maar magie zwol in mij aan en maakte zich klaar voor de strijd. De oerkracht!
Ik hupte van zandkorrel naar korrel en bleef met gemak boven de gestage stroom uit. Een grijns speelde rondom mijn lippen. Ik was dan wel opgesloten, maar ik kon er weer uit komen. De goden zouden spijt krijgen dat ze mij straften. De tijd voor wraak kwam nog wel. En die wraak, die zou zoet zijn!